Grootsvader

25-02-2026

Je zou bijna denken dat hij een vooruitziende blik had en voorliep op de mode. Met een plateauzool van ruim 15 cm dik onder zijn rechterschoen. Maar het was uit pure noodzaak om zijn veel kortere been te compenseren. Als jonge boerenknecht was het bot in zijn dijbeen verkeerd aangegroeid na een ongelukkige val van een hooiwagen. Gips was er nog niet of werd nog niet gebruikt. Twee spalken aan weerszijden bij elkaar gehouden met wat touw en hup, niet zeiken verder. En nu had hij er een markant loopje aan overgehouden. We wisten niet beter. Het hoorde bij hem. Zoals ook de winkel bij hem hoorde. ‘Korpershoek fourniturenwinkel’ met alles wat maar met textiel, stoffen, wol, garen, naaien en breien had te maken. Zelfs kousenband kon je er krijgen. Per strekkende meter. Op zaterdagavond diende de toonbank als schip waar mijn neefje en ik op tijd aan boord moesten komen als de winkel dicht was. ‘De boot vertrekt’, was de magische zin die we tegen elkaar zeiden als we zin hadden om te spelen. We hebben heel wat keren het ruime sop gekozen zittend op de boeg van de toonbank, kibbelend wie de kapitein mocht zijn.

 

Vanzelf ging het niet om zijn eigen winkel te beginnen. Mijn grootvader zou er eerst heel wat kilometers in Zuid-Holland voor af moeten leggen. Door uitzichtloze polders het ene dorpje na het andere af. Op een oude DKW-motorfiets met een grote leren hutkoffer achterop. Afgeladen met alle snuisterijen die je bij fournituren maar kan bedenken. Weer of geen weer. En met dat kortere been. Hij stortte zich op huis aan huis verkoop waarbij hij keer op keer afgewezen werd. Het was kort na de oorlog, mensen hadden geen geld of geen interesse. Hij liet zich er niet van weerhouden; mijn grootvader zette door. Zoals hij ook had doorgezet en opnieuw had leren lopen. Totdat zijn handeltje begon te lopen. De DKW-motofiets werd een Renault Dauphine. De hutkoffer een kofferbak. De afwijzingen, aankopen.
Na jaren van verkoop aan de deur werd er voorzichtig gekeken naar een vestiging in het dorp ter uitbreiding. Zijn oog viel op een karakteristiek pandje met een klokvormige gevel dat ruimte bood voor een winkel met bovenwoning.
‘Zouden we dat nou wel doen man?’ zei mijn grootmoeder met twijfel in haar stem. ‘Ja vrouw!’ klonk het resoluut.

 

Er kwam een toonbank, er kwam een kassa, er kwam zelfs een etalage. En, niet onbelangrijk, er kwamen klanten. Bergen aan bolletjes wol, honderden meters aan stoffen en dozen vol breipennen. Het was niet aan te slepen. Er kwam serieuze omzet. Voor hij de weekomzet naar de bank bracht propte hij de bankbiljetten in zijn geldkistje dat steevast in de bijkeuken stond.
De zaak liep goed, de kassa rinkelde aan één stuk door. Hij kon tevreden zijn. En toch zat ‘m iets niet lekker. Er was iets dat zijn gerimpelde voorhoofd pijnigde. Hij liet zijn gedachten er over gaan als hij ’s avonds achterover geleund in zijn stoel aan zijn pijp lurkte. Pf pfff, pf pfff. Zoete geuren van tabak en gordijnen van rook vulden de woonkamer van de bovenwoning. Mijn grootmoeder keek geamuseerd naar een variétéprogramma op hun nieuwe zwart-wit televisie van Philips; één van de eerste tv-toestellen in het dorp. Mijn grootmoeder genoot, mijn grootvader pufte voort. Na een half uur; ‘Is er iets man?’ ‘Er is niks vrouw.’

 

Maar er was wel degelijk iets. Zijn zorgvuldig bijgehouden kasboek klopte niet met het resultaat. Er werd wekelijks geld gemist. Het verschil tussen het geld in de kassa en het bedrag in het kistje was aanzienlijk. Na weken oplopend tot honderden guldens. Dit kon geen rekenfout meer zijn. Mijn grootvader bleef kalm en hield het allemaal voor zich. Hij zou zijn vrouw er maar onnodig ongerust mee maken.
Wat te doen? Er werd geld ontvreemd. Maar door wie? Zijn dochter die oud genoeg was om in de winkel te helpen en vaak achter de kassa stond, kreeg er ook lucht van. ‘Dit klopt niet pa, je moet hier achteraan. Je moet naar de pliesie gaan!’ Mijn grootvader gromde en mompelde wat om vervolgens verder te gaan met zijn werkzaamheden. De etalage moest nog worden aangepast omdat de herfst eraan kwam. Bollen wol in warme kleuren dus. Met dezelfde rust als de herfst zijn intrede zou doen, richtte hij de etalage in. Inventief als hij was, broedde hij ’s avonds achteroverleunend in zijn stoel een ingenieus plan uit. ‘Pf pfffff, pf pfffff. Zijn pijp draaide overuren.

 

Duidelijk was dat er geld uit het kistje verdween. Inmiddels een gigantisch bedrag. Het zat weliswaar op slot en de sleutel lag op de dorpel erboven, maar ja, wie wist daar nou van? Hij moest en zou erachter komen wie het geld jatte. Hij besloot een constructie te maken waarbij hij een bijna onzichtbaar visdraadje aan het deksel van het kistje bevestigde en die via katrolletjes naar boven leidde, naar de woonkamer. Daar maakte hij een tweede constructie waarbij een soort hefboompje van ijzer richting een contactpuntje met een belletje op batterijen bewoog. Als je aan het visdraadje trok, ging de bel af. Simpel en in al zijn eenvoud briljant.
Zijn dochter had volgehouden dat de politie erbij moest komen en daar stemde hij uiteindelijk mee in. In de winkel stond plotseling een echte agent. Mét pet. Nadat er verslag werd gedaan van de ontvreemding van het geld, kon mijn grootvader het niet nalaten zijn zelf geconstrueerde alarminstallatie aan de agent te laten zien. Vol overgave demonstreerde hij hoe het ding in zijn werk ging. De agent moest toegeven dat hij onder de indruk was. ‘Tja, wat zal ik zeggen Korpershoek? Het is simpel en ingenieus tegelijk. Mijn zegen heb je.’ Trotse rookwolken stegen op uit zijn grijnzende pijp.

 

‘En nu?’ ‘Wachten’, zei mijn grootvader. Uren verstreken, dagen verstreken, een hele week; er gebeurde niets. ‘Misschien heeft de dief er wel lucht van gekregen ‘, opperde zijn dochter, Mijn grootvader zei niets en vulde zijn pijp nog eens. Totdat op een avond de serene rust werd verstoord…en het belletje inderdaad afging! Mijn grootvader en zijn dochter keken elkaar met grote ogen aan. Zijn pijp viel van schrik op de grond. Drie tellen gingen voorbij. Met de angst in het lijf haastte zijn dochter zich in allerijl naar beneden, mijn grootvader zo goed en zo kwaad als het kon erachteraan. Een plateauzool op een steile trap is niet de meest ideale combinatie.
Als ze in de bijkeuken aankomen, zijn ze met stomheid geslagen. Ze staan oog in oog met de persoon die inmiddels zo vertrouwd was met de familie dat ze bijna deel uitmaakte van de familie. De huishoudster van drie huizen verderop.
Donders! Blikgat!’, klonk het vanachter de pijp. De huishoudster beweerde bij hoog en laag dat ze geen geld had gestolen. ‘Echt Korpershoek, ik heb geen geld gestolen. Echt niet. Ik wilde alleen maar even het kistje afstoffen.’ Het was negen uur ’s avonds.

 

Wat er toen gebeurde mag op zijn minst opmerkelijk worden genoemd. De huishoudster begon zich uit te kleden. Eerst knoopte ze haar bloes los, toen haar rok, haar kousen gingen uit, haar onderjurk, totdat ze in haar ondergoed voor mijn grootvader en zijn dochter stond. De stilte hing oorverdovend gênant tussen hen in. Alsof het nog niet genoeg was, ging ook haar ondergoed uit. Tot ze poedelnaakt voor hun stond. ‘Kijk dan Korpershoek, ik heb het niet. Kijk maar.’ ‘Pf pffff, pf pffff’.

 

De dagen erna waren die van onrust en ontsteltenis. Politiebezoek, gesprekken met familieleden, gesprekken met familie van de huishoudster en klanten te woord staan die de roddels hadden gehoord. De politie zei dat er voldoende aanleiding was voor aangifte en op zijn minst voor een onderzoek en verhoor. En mijn grootvader? Die zweeg. Totdat de politie opnieuw langskwam en wilde weten of hij aangifte ging doen. ‘Ik raad het u wel aan Korpershoek, het gaat bij elkaar om een bedrag van meer dan 20.000 gulden.’ ‘Nee’, zei mijn grootvader. ‘Ik heb erover nagedacht agent en volgens mij komt daar weinig goeds van. Die vrouw is net weduwe, ze heeft twee kinderen op te voeden, ze heeft het niet breed, ze hebben het al zwaar genoeg. Wat gaat er gebeuren als ze straf krijgt? Laat staan in het gevang komt. Dat gezin wordt nog verder uit elkaar getrokken en ontwricht. Die kinderen moeten naar een internaat, raken beschadigd, groeien op voor galg en rad en die vrouw komt nergens meer aan de bak. Nee agent, ik doe geen aangifte.’ De agent verdween, de volgende klant kwam.

 

Goedgelovig? Zeker. Misschien iets te. Inventief? Absoluut. Tikje naïef? Misschien. Maar mijn grootvader was naast een bijzondere man vooral groots. Heel groots. Hoedje af voor hem. Bedankt opa.

 

 

 

 

 

 

 

Aanraders

Aai d’n Engel

“Hij leeft nog, maar ja….”

Mijn Co-piloot Ron

“Ze zeiken en schijten niet zonder elkaar.”

De palingvanger van Hamelen

“Ik ben de vis op het droge. Happend naar alcohol.”

Schifahren auf einem spiegel

“Waterskiën op spiegelglad water is als dansen”

Alles
voor Arnold

“Met het zelfvertrouwen van een naaktslak stap ik de zaal binnen.”

Ik drink
dus ik ben

“Ik weet niet wie ik ben zonder alcohol.”

Out of
the boks